‘Ze zeggen dat ik geen praatjes kan slaan’, lees ik wel eens in mails die ik krijg. ‘Maar goed ook’, is het eerste dat me te binnen schiet op zo’n moment. Waarschijnlijk komt dat omdat ik een afkeer heb aan iets of iemand slaan, ook al zijn het praatjes die afgeranseld worden.

Praatjes slaan is ook niet meteen mijn specialiteit, en soms vind ik dat best wel jammer. Het zou me veel geholpen hebben, denk ik vaak, zowel in de samenleving als in het privé-leven. Praatjes vullen misschien geen gaatjes, ze zijn wel het cement van relaties, en zorgen voor structuur in je leven.

Als het er op aankomt, vind ik het al erg moeilijk om te weten wanneer een gesprek begint, hoe ik zo’n gesprek gaande moet houden en hoe het goed af te sluiten. Zeker als dit informeel is, mondeling gebeurt, onder vier ogen en in een onvoorspelbare omgeving waarin heel wat andere actie aan de gang is. 

Het gebeurt dus maar weinig dat ik van zo’n informeel gesprek, zo’n praatje kan genieten. Als ik dan toch tot een praatje kom, dan heb ik zelden de indruk dat er wederkerig real-time contact is. Omdat ik voor een groot stuk nog bezig ben wat net voorbij is te verwerken, ben ik bijna nooit mee met wat er gezegd wordt. Daardoor lukt het vaak niet in te spelen op wat verteld wordt. 

Dat geeft wel eens een verkeerd beeld, alsof ik beperkt geïnteresseerd zou zijn in het verhaal van een ander. Het leidt bij mij vaak tot frustratie nadien. Veel van de replieken, antwoorden, reacties die ik tijdens het gesprek probeer te verwoorden, blijven immers binnen, ongezegd. Het kan ook leiden tot eenzaamheid, als ik het gevoel krijg, op het moment zelf of nadien, niet tot de dynamiek van die omgeving te behoren.

Hoewel ik feestjes, dineetjes of recepties vaak vermijd, wordt ik er best wel graag op uitgenodigd en zou ik er graag naartoe willen. Of dat is om er te zijn, of om er te zijn geweest, hangt af van het moment zelf, en zoveel invloeden die mijn beschikbare energie op dat moment bepalen.

Tijdens zo’n praatje heb ik vaak de neiging om zowel wat anderen zeggen (te) letterlijk op te vatten als teveel in te gaan op details. Als iemand bijvoorbeeld een uitdrukking als ‘het glas is halfvol’ gebruikt, triggert dat mijn verstand tot eigenaardige linken en kom ik, uit het niets, met een uitspraak die mijn gesprekspartners verbijstert (over een nieuwe glastechniek om glazen voller te doen lijken bijvoorbeeld).

Het komt ook wel voor dat ik midden in iemands uitleg van iets moeilijks, een foute vervoeging van een werkwoord opmerk, en dat een ander hevig irriteert. Dat geeft wel eens problemen, zeker als het een hiërarchisch meerdere is binnen een werk – of schoolsituatie, die maar niet wil toegeven dat h/zij echt wel een fout heeft gemaakt, en ik probeer uit te leggen dat hoe het zit. Of ik spreek de perfectionistische gastvrouw van een receptie, met veel goede bedoelingen, aan op dat ene detail dat ze om een of andere reden lijkt te zijn vergeten. 

Zo gebeurt het wel eens dat ik feedback krijg dat ik niet sociaal ben, geen interesse heb in mijn omgeving, te negatief ben ingesteld en vaak een slecht humeur heb. Het tegendeel ligt dichter bij de waarheid. Als ik mensen moet benaderen, krijg ik wel eens krampen en opstoten van spastische darmen, en lijkt elk toilet in de omgeving mij aan te trekken. Soms zeggen mensen van mij dat ik vaak niet goed aanvoel wat ik wel of niet kan of mag zeggen. Ze noemen het een geval van minder ‘ellebogenwerk’ en te weinig ‘fingerspitzengefühl’. Ofwel neem ik te weinig initiatief, zeker in een 1-op-1 contact met anderen, ofwel val ik eerder ongepast middenin een gesprek.  Als andere mensen initiatief nemen en mij plots aanspreken, verrast mij dat vaak, en schrik ik ervan, soms boos, omdat ze lijken te verwachten dat ik alles laat vallen om hen te woord te staan.

Het liefst praat ik, ook informeel, over interesses die ik deel met mijn gesprekspartner(s). Daar kan ik dan enorm enthousiast over worden en blij zijn dat er eindelijk iemand is waarmee ik een zinvol gesprek kan voeren. Op zo’n moment ben ik zo gedreven dat ik maar blijf praten of vragen stellen, vaak zonder dat ik merk dat de ander al een tijdje verveeld is. Het blijft me verbazen dat ik pas veel later, van iemand uit mijn nabije omgeving, hoor dat die ander het een oeverloos saai gesprek vond, terwijl ik net de tegenovergestelde indruk had. 

Het meest lastige van een gesprek voeren is het moment dat vragen als ‘hoe voel jij je daarbij?’, ‘wat denk jij daar nu over?’ en ‘hoe ga jij met zoiets om?’. Ik praat best wel vaak over gevoelens, maar lang niet met iedereen, en niet zonder dat ik het voorbereid heb. Sommige mensen krijgen daardoor wel eens de indruk dat ik te weinig deel. Dat lijkt de indruk te wekken dat ik geen of weinig vertrouwen heb, en niet durf ‘los’ te komen. Toch mag dat ‘los’ komen ook niet te los zijn, heb ik ervaren, want te familiair of open zijn wordt evenmin geapprecieerd. 

In sociale omgang kan het een en ander aangeleerd worden en getraind blijven, maar slechts in beperkte mate, is mijn ervaring. Zo vind ik het moeilijk om mensen te troosten als ze verdriet hebben of ze het even niet meer zien zitten. Dat is nog meer het geval als mensen hun verdriet zelf dubbelzinnig naar buiten brengen, of als het verdriet heel plots opkomt, in een omgeving dat ik het niet verwacht (op een feestje bijvoorbeeld).  Erkennen dat ik het verdriet van de ander niet kan ervaren (of verstaan), dat ik niet meer kan dat er te zijn, wat praktische oplossingen te bieden en de ander rust en tijd te gunnen, vind ik vaak de beste strategie.  Te meer omdat verdriet alomtegenwoordig is en ook niet-autistische mensen vaak de bal misslaan als het gaat om troosten.

Samengevat is een praatje slaan, met iemand in contact komen, in gesprek treden, troosten … een dagelijkse uitdaging waarbij autistisch denken volgens mij vaak stokken in de wielen steekt. Autisme is natuurlijk veel meer dan dit sociale aspect, maar het heeft toch een behoorlijke impact, vind ik.

Het heeft vaak als gevolg dat ik niet zomaar (goed) initiatief kan nemen, dat er heel wat denkwerk bij komt kijken vooraleer ik een stap zet, dat niet lang volhoudt en dan de reactie krijg dat het niet vanuit mijn buik komt. Waarna ik opmerk dat ik het een rare uitdrukking vind, hoewel ik wel snap dat het niet letterlijk bedoeld is. Ik kan me wel voorstellen dat er ook autistische mensen die niet zoveel denken vooraleer ze initiatief nemen. Of ik kan ook de raad volgen van autistische mensen die bewust erin vliegen en beweren dat ze zich niets aantrekken van wat anderen denken, of van negatieve reacties.  Of dat ook werkelijk zo is, betwijfel ik, maar ik ben niet ongevoelig voor wat anderen vinden en denken, en misschien wat meer beïnvloedbaar. Zeker als het gaat om anderen die ik graag heb en zie.

De invloed van autistisch denken uit zich bijvoorbeeld in de indruk te wekken niet geïnteresseerd te zijn in de anderen, op te gaan in gedeelde interesses (waarbij anderen afhaken),  sociale signalen anders te verstaan of te focussen op details, en, niet in het minst  (te) eerlijk zijn.  Zowel in het aanvoelen van kritiek, troosten als uiten van een opinie, geeft eerlijkheid wel eens problemen.  Meestal komt dat omdat mijn waarheid niet aangepast is aan de situatie, of ik een beleefdheidsvraag of een retorische vraag verkeerd interpreteer als een vraag naar een eerlijk antwoord. Om een beetje dol van te worden, eerlijk gezegd. 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *
You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>